Paardenbit
Wat gewalst is in de bek van een ruin,
kwalijke liksteen,
vijlsel als te harde haver uitgehoest.
Wendingen in ijzer gewet:
scherpte voor de tong.
Slinkende beugel verminkte wie moest keren.
Verzet kon onder het mom van hinken.
Ingeslikt elk zachter begeren.
Mondstuk merkte de maat van het briesen.